“Mijn leerling verlaat zijn of haar comfortzone niet.”

Je hebt het zonder twijfel al meerdere keren meegemaakt als leerkracht: je geeft een bepaalde opdracht aan een leerling waarvan je weet dat die misschien wel wat pittig is voor de leerling in kwestie maar waarvan je ook vermoedt dat deze leerling dit normaal zou moeten kunnen mits de nodige inspanningen. Maar de leerling bijt zich er niet in vast. Vindt hij de opdracht niet interessant, durft hij niet, kan hij het niet? Hoe dan ook, deze leerling lijkt moeilijk in beweging te krijgen: hij of zij hangt de clown uit of zit daar wat voor zich uit te staren, lijdt aan een ernstige vorm van acuut geheugenverlies en “vergeet het steeds” of begint er heel traag aan maar staat om de minuut aan je bureau en komt heel overtuigend over wanneer hij of zij uitlegt deze oefening niet te kunnen. Dit scenario vindt zeer regelmatig plaats bij cognitief begaafde leerlingen die ineens verrijkingswerk aangeboden krijgen (en ongetwijfeld ook bij andere leerlingen die je uitdaagt om uit hun comfortzone te gaan). Je begint als leerkracht te twijfelen of hij of zij er wel echt nood aan heeft want de leerling lijkt de opdracht misschien zelfs niet eens te begrijpen. Het zal niet de eerste keer zijn dat een leerling na een aantal weken ploeteren van het verrijkingswerk afgehaald wordt want “het is toch te moeilijk” of “deze leerling vindt het toch niet zo fijn” of “de leerling geeft aan toch liever de gewone oefeningen te maken”. Wanneer uit een diagnostisch onderzoek duidelijk blijkt dat deze leerling deze opdrachten zou moeten aankunnen, stop er dan zeker niet mee! En dat geldt eigenlijk  ook voor die leerlingen waarbij je het niet zeker weet, maar waarbij je het gevoel hebt of initieel had dat er meer in zit. Besef dat deze leerling (misschien sinds heel lange tijd) verplicht wordt om zijn comfortzone te verlaten en dat hij of zij alles eraan doet om in die veilige zone te blijven. De kans dat deze leerling op dat moment vast zit in een vaste mindset op vlak van intelligentie/talenten is groot. Gelukkig kan je als leerkracht helpen om deze leerling te stimuleren deze veilige zone te verlaten en richting echt leren te gaan. Is het concept mindset nieuw voor je? Lees dan misschien eerst even dit artikel om te begrijpen waar het precies over gaat.

Breineducatie

Als leerkracht kan je bijdragen aan de ontwikkeling van een groeimindset door nadruk te leggen op het proces en niet op het resultaat en door een veilig leerklimaat te creëren waarin falen niet bestraft wordt. Daarnaast is bekend uit wetenschappelijk onderzoek dat psycho-educatie over het brein ook bijdraagt aan de ontwikkeling van een groeimindset. Als leerkracht is het erg nuttig voor alle leerlingen om hier eens een les (of meerdere lessen) bij stil te staan. Hieronder lees je hoe je dit zou kunnen aanpakken.

Om uit te leggen wat er gebeurt in de hersenen wanneer we leren, kan je inspiratie vinden in de korte tekst hieronder.

In onze hersenen zitten ongeveer 100 miljard hersencellen of neuronen. Deze hersencellen staan met elkaar in verbinding. Met elektrische signalen kunnen ze via de met elkaar verbonden neuronen boodschappen naar elkaar sturen en boodschappen ontvangen. Op die manier kunnen onze hersenen opdrachten geven aan ons lichaam zodat ons lichaam weet wat er moet gebeuren. Deze neuronen zitten dus niet enkel in je hersenen, maar ook elders in je lijf. Je hersenen kunnen op die manier bijvoorbeeld de opdracht geven aan je benen om te wandelen.

Maar ook om te denken, hebben we deze neuronen nodig. Elke neuron in je hersenen is met veel andere neuronen verbonden. Samen vormen deze neuronen een heel netwerk van verbindingen, net zoals straten in een stad die met elkaar verbonden zijn. Als je iets denkt, zoeven er boodschappen voorbij langs die verbindingen. Hoe meer verbindingen je hebt in je hersenen, hoe gemakkelijker het wordt om boodschappen door te geven, snel problemen op te lossen enz …

Dankzij deze verbindingen kunnen de verschillende hersendelen die allemaal andere taken uitvoeren met elkaar praten en zo kunnen we ook ingewikkelde taken uitvoeren.

Iets leren wil zeggen dat je probeert iets te kennen of kunnen wat je op dat moment nog niet kent of kunt. Zodra dat hun wel goed lukt, heb je het geleerd. Wanneer je bezig bent om iets nieuws te leren, groeien er vertakkingen aan je neuronen en worden er nieuwe verbindingen (wegen) aangemaakt. Zo ontstaan er nieuwe weggetjes in de hersenen. Wanneer deze nieuwe wegen af zijn, hebben we ook iets nieuws bijgeleerd.

Verbindingen tussen neuronen voorstellen met touw

Maar je laat je leerlingen dit verhaal ook best ervaren. Dit kan je doen door te werken met verschillende soorten touw. Ik gebruik meestal naaigaren, breigaren en dik touw voor buiten.

Hoe ga je te werk?

  • Je kan je leerlingen vragen om zich in te beelden dat het klaslokaal de hersenen van iemand voorstellen en dat iedere leerling één van de vele hersencellen voorstelt die in dit brein aanwezig zijn. Geef je leerlingen eventueel een tekening van een hersencel om het allemaal nog wat visueler te maken.
  • Vervolgens vraag je wie er iets nieuws aan het leren is op school of thuis en dit nog niet zo goed kan. Je spant daarop een hele dunne draad tussen twee neuronen. Ook al kan deze leerling deze vaardigheid nog niet, toch is hij of zij iets nieuws aan het leren en dat kan je al zien in je hersenen; dit wordt voorgesteld door het dunne draadje.
  • Je vraagt aan de leerlingen wat er gebeurt als de leerling in kwestie blijft oefenen op datgene wat nog niet zo goed lukt. Het draadje wordt dikker. Je kan er vervolgens een wollen draad bijleggen.
  • Doe vervolgens de wollen draad terug weg en vraag wat er gebeurt als de leerling beslist om te stoppen met oefenen. Dit zou betekenen dat het draadje verdwijnt of stuk springt.
  • Daarna vraag je wat er gebeurt als de leerling in kwestie gedurende langere tijd zou blijven oefenen. Het komt er op neer dat de draad dan dikker wordt. En als iemand iets kan zonder er nog bij na te denken, dan wilt dat zeggen dat er een heel dikke draad tot stand is gekomen.
  • Ik maak meestal ook de opmerking dat sommige dingen moeilijk blijven om te leren, ook al oefen je heel hard, maar dat de draad altijd wel dikker en dikker zal worden door te oefenen. Hoe dik en hoe snel verschilt van persoon tot persoon.
  • Tot slot vraag je de leerlingen om na te denken over hun “sterke” en “nog niet” verbindingen. Je kan het werkblad “Mijn sterke verbindingen en mijn nog niet verbindingen” hier downloaden.

Deze oefening vind je terug in het boek “Mindset op school” van Mary Cay Ricci. Door deze oefening te doen, kan je hierna altijd terugvallen op de metafoor van het dunne draadje en de dikke draad. Je hoort leerlingen uitspraken doen zoals: “Samenwerken, dit is bij mij op dit moment nog een dun draadje.”. Deze uitspraak is al veel groeigerichter dan “Ik kan niet samenwerken”.

Wees niet bang om fouten te maken en ga ermee aan de slag in de klas!

Meer weten?

Ben je getriggerd om meer bij te leren over de ontwikkeling van een groeimindset en hoe je als leerkracht (of andere professional die met kinderen werkt) je leerlingen kan stimuleren om hun comfort zone te verlaten? In het voorjaar staan er twee opleidingsdagen geprogrammeerd rond mindset. Bekijk ons aanbod voor professionals hier.

Pin It on Pinterest